Dankzij de bossen van het Zwarte Woud kon, sinds de middeleeuwen, het belang van de grondstof hout als economisch goed en handelswaar toenemen. Daarmee verweven waren beroepen zoals houthakker, vlotter en houthandelaar, die zich “schippers” noemden vanwege het vervoer van hun goederen over water. Hun bedrijven werden in de 18e eeuw legendarisch toen zij naar verre steden als Mannheim, Mainz en Keulen gingen uitbreiden. Verder Rijnafwaarts kwamen ze zelfs in Nederland terecht – zo ontstond de “Hollandershouthandel”.
Hollander-Michel
De schrijver Wilhelm Hauff heeft hem literair vereeuwigd in zijn novelle “Das kalte Herz” (“Een hart van steen”) (1827). Een van de “houtheren uit het Zwarte Woud” is “dikke Ezechiel”: “Twee keer per jaar reisde hij met timmerhout naar Amsterdam en dan had hij het geluk het steeds duurder te kunnen verkopen.”
“Hollander-Michel” geeft het oerbeeld van een vlotter – een waaghals met lieslaarzen aan en sterk als een reus. Hij brengt de vlotten van gigantische dennen naar Rotterdam, waar de “Mynheers” (heren) hem er keiharde guldens voor betalen. Toen zijn kameraden “zo veel geld zagen, werden ze uitzinnig van vreugde. Vanaf dat moment was Holland voor de vlotters het paradijs.”
Tot op heden worden de dikste en langste dennen en sparren als “Hollanders” aangeduid, een herinnering aan de periode waarin de woudreuzen exportproduct nummer een uit het Zwarte Woud waren. De sterksten daarvan, de “echte dennen”, zijn aan het smallere uiteinde (de “Zopf” of boomtop) 16 Badense Zoll (48 cm) dik, wat resulteert in lengtes van 18 tot 34 meter.
Foto 1: De “Großvatertanne” (“grootvaderden”) in Freudenstadt, de momenteel imposantste den van het Zwarte Woud: 46 m hoog, 5,30 m in omtrek, ca. 300 jaar oud.
Foto 2: Winterwerkzaamheden van de houthakkers: het opstapelen van de omgehakte stammen ten behoeve van de afvoer. Schilderij van Eduard Trautwein, 1959, Kurhaus Bad Rippoldsau
Foto 3: “Das Holzflözen bei Wolfach” (“Het houtvlotten bij Wolfach”): schipper met gezin, vlotten op de Kinzig, aan de oever een grote houtstapel, mensen in zondagse kleren. Schilderij van rond 1820; van Aloys Schreiber, Badisches Volksleben (1823).
Foto 4: Het met de bijl kappen van een Hollandersden in het stadsbos van Schiltach. (Andreas, Hartmut und Michael Brückner), 2015.
Vanwege zijn ligging aan de zee groeide Nederland in de 17e en 18e eeuw uit tot een wereldwijde handels- en zeemacht. Het bezat steunpunten en koloniën in Amerika (“Nieuw-Amsterdam”), Afrika, India en Indonesië (Java). Zij hielden verbinding met zeilschepen die allerlei soorten goederen en ook slaafgemaakten vervoerden. Rond 1650 bestond de Nederlandse handelsvloot uit 16.000 schepen, beschermd door een sterke marine. Er werden toen jaarlijks 2.000 handels- en oorlogsschepen gebouwd.
Het daarvoor benodigde hout, bestendige eiken voor de scheepsrompen, maar ook sterke dennen en pijnbomen voor de masten, betrokken de Hollandse werven uit de bosgebieden aan de Moezel, Saar, Main, Neckar en van het Zwarte Woud. Van daaruit kwam het gekapte hout met vlotten over de bergrivieren en de Rijn rechtstreeks naar Holland, waar Dordrecht de belangrijkste bestemmingshaven was.
De daar gevraagde hoeveelheden hout waren enorm: voor een handelsschip had men 1.000 eikenstammen nodig, voor een groot oorlogsschip 4.000 en daar kwam nog het naaldhout bij. Voor spanten en andere rompdelen waren kromgegroeide eiken voordelig, terwijl de stammen voor de masten 30 m lang moesten zijn. De bewerking en het transport hiervan vereisten veel kapitaal, arbeid en risico's, waardoor er voor het zakendoen met Holland eigen, kapitaalkrachtige “houtcompagnieën” ontstonden. De belangrijkste was de “Handelscompagnie in Hollandershout” in Calw, die ook in het Kinzig-dal actief werd.
In 1750 maakte Jakob Vollmar hier als eerste een vlot van 500 stammen Hollandershout. Dat bracht hem per stam 14 gulden op, zoveel als een vlotter in twee weken verdiende. Hoe populair dit hout was, bleek uit zijn prijsstijging: in 1785 was een “Hollander” met een lengte van 21 m al 32 gulden waard. Nog wachtten in het noordelijke deel van het Zwarte Woud grote bossen op hun tegeldemaking, aan de Murg meer dan 100.000 Hollandersdennen.
Het Zwarte Woud werd een “houtmagazijn van de Hollanders”.
Foto 5: “Fluitschepen”, Hollandse handelsschepen: driemasters met een lading van 350 ton. Ets van Wenzel Hollar, 1647.
Foto 6: De bouw van een houten scheepsromp, Engeland 1942. Davies, F A (Lt), Royal Navy official photographer.
Foto 7: Hollands admiraalsschip met 96 kanonnen, de Nederlandse vlag op de hoofdmast. Kleurrijke gravure van Gerard van Keulen, 1728.
Foto 8: Hollandse windmolens. Zij waren sterke energieleveranciers, waarvan de plaatselijke werven profiteerden bij het bouwen van schepen.
Met de bloei van de Hollandse zeehandel groeiden ook havensteden zoals Amsterdam en Rotterdam. Zij, op hun beurt, hadden massa's hout nodig: voor ambachtelijke beroepen, de bouw en het verwarmen van huizen. Vanwege de moerassige ondergrond moesten de huizen op 11 m lange heipalen gefundeerd worden. Alleen al het Paleis op de Dam in Amsterdam staat op 14.000 houten palen. Men had er ook honderdduizend keer zoveel nodig voor de havens, de grachten en de vele bruggen.
Bij gebrek aan stromend water bouwde men in Holland door wind aangedreven molens die de energie leverden voor de gemalen, molens en zagerijen. De wieken waren zo'n 9 m lang en daarom had men balken nodig die nauwelijks kromtrekken. Pijnbomen waren hiervoor bijzonder geschikt. Door de schaarste aan bossen in Nederland bezochten Nederlandse houtkopers ook daarvoor de Zuid-Duitse middelgebergtes, waar nog hout in overvloed en regionale houthandels aanwezig waren. Ook in het Kinzig-dal in het Zwarte Woud bevonden zich handelaren die het risico om hout Rijnafwaarts te vervoeren niet uit de weg gingen: al rond 1660 vlotte schipper Caspar Trautwein uit Schiltach naar Mainz. In 1750 was ook Engel-herbergier Isaak Dorner voor “Rijn-zaken” onderweg en men zei dat “de mooiste waar naar Holland” ging. In de jaren 1820 voer Johann Armbruster, oppervlotmeester van Wolfach, drie keer met een vlot naar Holland. Daarvandaan brachten de houtheren uit het Zwarte Woud Delfts Blauw porselein, kasten en schilderijen van Hollandse kunstschilders mee, die tegenwoordig in het vlotterijmuseum van Wolfach te zien zijn.
Kaart: Houthandel en houtvlotterplaatsen aan de Rijn
Foto 9 & 10: Olieverfschilderij van een Hollandse kunstenaar, door schippers uit Wolfach naar het Zwarte Woud gebracht, 18e eeuw, privébezit Wolfach.
Foto 11: Hout voor Holland: Rijnvlot aan de Lorelei, gravure van H. Emden, rond 1840, Rheinisches Bildarchiv Keulen.
Foto 12: Amsterdam: enigszins scheve huizen als gevolg van de zetting op een groep funderingspalen.
Dat het Zwarte Woud Holland van hout kon voorzien, was te danken aan een vlotterij die het zware transport op meer dan 770 kilometer aan waterwegen aankon. Daarbij werden de stammen meerdere keren opnieuw ingebonden:
vlotdeel-, Rijn- en kapitaalvlotten
Op de Kinzig voeren zij in 350-450 m lange “vlotdeel-vlotten” die ze naar de Rijn bij Kehl brachten. Daar werden de stammen herschikt in “Rijnvlotten”, drie lagen hoge houtvlotdelen (90 x 12 m) die door ca. 40 vlotters werden bestuurd naar Mannheim of Mainz. Daar nog groter gemaakt, gingen ze met een nieuwe bemanning de Midden-Rijn op die vanwege zijn winden, rotsachtige riffen en versmallingen (Lorelei) bijzonder gevaarlijk was.
Bij Koblenz werden ze samengevoegd tot “kapitaal- of Hollandersvlotten”, waarvan de afmetingen (350 m lang, 45 m breed, diepgang van 2,5–3 m) veel bewondering wekten. Zij werden aan de voor- en achterkant met zware roeispanen bestuurd en hadden 350 bemanningsleden aan boord. Voor hen en de passagiers, in totaal 500 à 600 personen, waren er hutten en allerlei proviand. Na een vaart van drie weken, waarbij ondiepe, wisselende zandbanken en slecht weer op de loer lagen, bereikten ze Dordrecht. Daar werden de vlotten “gesloten” en de stammen in aanwezigheid van de eigenaren geveild. Johann Armbruster uit Wolfach maakte deze vaart drie keer, waarbij hij de terugreis per koets telkens met een gevulde “geldbuidel” aanvaardde.
Ook in Schiltach kwamen “door het vervlotten van Hollandersbomen aanzienlijke geldbedragen in omloop”. Dit betekende werk, brood en winst, waarvan de grote vakwerkhuizen getuigen. De Hollandershouthandel bracht niet alleen welvaart, maar had ook een keerzijde: de ontbossing. Kaalslag vernietigde eeuwenoude boombestanden en liet de eiken bijna helemaal verdwijnen.
Men spreekt van “bosverwoesting” en “roofbouw”
De herbebossing in de 19e eeuw viel terug op snelgroeiende sparren, wat de vroegere loofbossen en gemengde bossen op veel plaatsen in monoculturen van sparren deed veranderen. Pas nu krijgen ze door de aanplant van verschillende boomsoorten weer afwisseling.
Foto 13: Keramiek uit Delft (“Delfts Blauw”), meegebracht uit Holland, vroege 19e eeuw, privébezit Wolfach.
Foto 14: Rijnlands “kapitaalvlot” bij Bonn. Gekleurde kopergravure van J. E. Grave naar originele tekening van J. Bulthuis, 1796. Siebengebirgsmuseum Königswinter.
Foto 15: Sluiten van een vlot in Dordrecht, kopergravure van C. F. Bendorp, 1785. – Studiezaal Stadsarchief Dordrecht.
Foto 16: In de 20e eeuw waren Hollandersstammen al heel zeldzaam. Het moeizaam laten zakken en inladen van een “Hollander” in Lehengericht, rond 1930.
Boom “dat was ik”
Boomsoort zilverspar
Boomhoogte in het bos 42 meter
Volume op de standplaats ca. 12,5 Fm (Festmeter of kubieke meter)
Op 21-04-2024 met de bijl gekapt
Stam “dat was ik”
Lengte op de stapelplaats ca. 19 meter
Diameter aan de boomstomp 1,0 meter
Diameter aan de boomtop 0,6 meter
Volume ca. 8 Fm
Droog gewicht ca. 5 ton
Stammen van deze grootte worden ook als “Hollandersstammen” aangeduid.